Analyse Myanmar: Inzichten van Joy Enait
J
Myanmar/Birma vanuit Joy Enait zijn visie
Van het Birmese koninkrijk en Britse overheersing tot de Rohingya, etnisch nationalisme en de hedendaagse crisis
Vanuit het antikoloniale perspectief van Joy Enait
Inleiding – Myanmar is meer dan een conflict tussen bevolkingsgroepen
Wanneer we vandaag naar Myanmar kijken, zien we vaak een land van oorlog, militaire dictatuur, etnische conflicten, boeddhistisch nationalisme en de vervolging van de Rohingya. Maar wanneer we alleen naar de gebeurtenissen van de afgelopen decennia kijken, missen we een groot gedeelte van het verhaal.
De hedendaagse instabiliteit van Myanmar is namelijk niet uit het niets ontstaan.
Myanmar – vroeger internationaal vaak Birma genoemd – is het resultaat van eeuwenlange politieke, culturele en demografische veranderingen. Daarbinnen kwamen prekoloniale koninkrijken, lokale machtsstructuren, migratie, religieuze diversiteit, Europese koloniale overheersing, Britse bestuurscategorieën, economische exploitatie, nationalisme, militaire staatsvorming en moderne ideeën over burgerschap samen.
Daarom zou ik Myanmar vanuit een antikoloniale bril niet simpelweg beschrijven als:
Bamar tegenover minderheden.
Boeddhisten tegenover moslims.
Myanmar tegenover Rohingya.
Militairen tegenover burgers.
Dat zijn bestaande tegenstellingen, maar ze verklaren nog niet waarom deze tegenstellingen zo diep in de moderne staat zijn ingebouwd.
De belangrijkere vraag is:
Hoe is een samenleving met verschillende historische gemeenschappen veranderd in een moderne staat waarin etniciteit uiteindelijk mede bepaalde wie als volwaardig burger kon worden beschouwd?
Dat is voor mij de kern van de antikoloniale analyse.
1. Eerst moeten we af van het idee dat Myanmar pas met de Britten begon
Een antikoloniale analyse betekent niet dat je doet alsof alles vóór het kolonialisme vreedzaam was.
Dat zou romantisering zijn.
Ook vóór de komst van de Britten bestonden oorlogen, machtsstrijd, slavernij, veroveringen, religieuze conflicten en politieke hiërarchieën.
Het Birmese koninkrijk was geen moderne democratische federatie waarin alle bevolkingsgroepen gelijkwaardig naast elkaar leefden.
Er waren machtscentra, onderworpen gebieden en concurrerende koninkrijken.
De geschiedenis van het gebied bestond onder andere uit Bamar/Birmese machtscentra, Shan-gebieden, Mon-gemeenschappen, Rakhine/Arakan, Kachin, Chin, Karen en andere politieke en culturele gemeenschappen.
Dat is belangrijk.
Want een antikoloniale analyse hoeft niet te zeggen:
"Voor de Britten was alles goed."
Ze moet eerder vragen:
"Welke bestaande verhoudingen veranderden door het koloniale systeem, en welke nieuwe verhoudingen werden vervolgens gecreëerd?"
Dat is een veel interessantere vraag.
2. Het verschil tussen een koninkrijk en een moderne natiestaat
Een van de grootste historische veranderingen was dat de koloniale periode uiteindelijk hielp om een gebied dat uit verschillende politieke gemeenschappen bestond in een modern bureaucratisch staatsverband te plaatsen.
Dat lijkt misschien technisch.
Maar het is enorm belangrijk.
Een prekoloniale koning hoefde niet noodzakelijk iedereen binnen zijn invloedssfeer op dezelfde manier als één nationale bevolking te definiëren.
Een moderne staat doet dat wel.
Een moderne staat wil weten:
- Wie ben je?
- Waar woon je?
- Welke taal spreek je?
- Welke religie heb je?
- Welke etnische groep ben je?
- Waar kom je vandaan?
- Ben je staatsburger?
- Wie behoort tot de nationale gemeenschap?
En precies daar begint de moderne etnische politiek.
3. De Britse verovering verandert de politieke werkelijkheid
De Britse verovering van Birma verliep in verschillende fasen. De drie Anglo-Birmese oorlogen eindigden uiteindelijk in de volledige Britse annexatie van Birma in 1885–1886.
Birma werd onderdeel van het Britse imperiale systeem en werd aanvankelijk bestuurd als onderdeel van Brits-Indië.
Dit was niet alleen een verandering van vlag.
Het was een verandering van:
macht.
Maar ook van:
economie.
En:
demografie.
En:
bestuur.
En uiteindelijk:
identiteit.
De Britse koloniale staat bracht een bureaucratische manier van kijken naar de bevolking met zich mee.
Bevolkingen werden geteld.
Gebieden werden afgebakend.
Groepen werden gecategoriseerd.
Arbeid werd georganiseerd.
Migratie werd gestuurd.
Land werd economisch geëxploiteerd.
En verschillende groepen kregen verschillende posities binnen het koloniale systeem.
Onderzoek naar de Rohingya-identiteit laat bijvoorbeeld zien dat koloniale volkstellingen niet simpelweg neutrale registraties waren: de koloniale staat produceerde en formaliseerde categorieën waarmee mensen werden ingedeeld.
Dat is een belangrijk antikoloniaal inzicht:
Een koloniale staat beschrijft een bevolking niet alleen; door haar te classificeren helpt hij ook mee bepalen hoe die bevolking later politiek wordt begrepen.
4. De koloniale volkstelling: wanneer identiteit een administratief gegeven wordt
Dit onderdeel wordt vaak onderschat.
Een moderne volkstelling lijkt objectief.
Naam.
Leeftijd.
Geslacht.
Religie.
Etniciteit.
Maar zodra een overheid vraagt:
"Tot welke etnische groep behoort u?"
is er al een bepaalde manier van denken ontstaan.
De koloniale staat maakte van sociale verschillen bestuurlijke categorieën.
In Birma werd dat extra belangrijk omdat het koloniale bestuur verschillende gemeenschappen op verschillende manieren bestuurde.
Daarmee ontstond een probleem dat later enorm belangrijk zou worden:
Wie is werkelijk Birmaans?
Dat is niet meer alleen een culturele vraag.
Het wordt een politieke vraag.
En uiteindelijk een juridische vraag.
5. Koloniale migratie en de Indiase bevolking
Een ander cruciaal onderdeel is de enorme migratie binnen het Britse imperium.
Birma en India werden niet behandeld als twee volledig afgesloten werelden.
Mensen konden binnen het Britse rijk bewegen.
Arbeiders, handelaren, ambtenaren en anderen kwamen vanuit verschillende delen van Brits-Indië naar Birma.
Dat had enorme economische gevolgen.
Rangoon werd een belangrijke koloniale havenstad.
De rijsteconomie werd sterk uitgebreid.
Indiase handelaren en arbeiders kregen belangrijke economische posities.
Tegelijkertijd konden lokale bevolkingsgroepen het gevoel krijgen dat zij economisch en politiek terrein verloren.
Hier ontstaat een gevaarlijke combinatie:
koloniale economische ongelijkheid + migratie + etnische classificatie.
In plaats van alleen te zeggen:
"De Bamar hadden een probleem met de Indiërs."
moet je vragen:
Waarom had het koloniale economische systeem de macht om bevolkingsgroepen op zulke verschillende manieren tegenover elkaar te plaatsen?
Dat is een veel diepere vraag.
Onderzoek naar de koloniale periode beschrijft inderdaad hoe Indiase migratie en de economische transformatie van Birma bijdroegen aan anti-Indiase sentimenten en spanningen, waaronder anti-Indiase rellen.
6. De koloniale staat creëerde niet alle etnische verschillen – maar veranderde hun betekenis
Dit onderscheid is essentieel.
Het zou historisch onjuist zijn om te zeggen:
"De Britten hebben de etnische groepen van Myanmar uitgevonden."
Dat hebben ze niet.
De groepen bestonden al.
Talen bestonden al.
Religies bestonden al.
Lokale identiteiten bestonden al.
Maar koloniale overheersing veranderde de politieke betekenis van die verschillen.
Een culturele identiteit kan bijvoorbeeld gewoon betekenen:
"Wij spreken deze taal."
Maar onder een moderne koloniale staat kan die identiteit langzaam veranderen in:
"Wij zijn een aparte bevolking."
En vervolgens:
"Wij hebben politieke rechten als aparte bevolking."
En uiteindelijk:
"Wij moeten onszelf beschermen tegen die andere bevolking."
Daarmee wordt etniciteit politiek.
7. Een bijzonder belangrijk voorbeeld: het koloniale leger
De Britten rekruteerden verschillende bevolkingsgroepen op verschillende manieren voor het koloniale militaire systeem.
Dat had gevolgen.
Wanneer bepaalde minderheidsgroepen relatief sterk vertegenwoordigd raken in het koloniale leger, terwijl de Bamar-bevolking het koloniale bestuur steeds meer als een onderdrukkend systeem ervaart, ontstaat een gevaarlijke tegenstelling.
De koloniale staat kan vervolgens worden gezien als:
Buitenlandse overheerser + lokale groepen die daarvan profiteren.
Dat maakt de antikoloniale strijd ingewikkelder.
De vijand is formeel Groot-Brittannië.
Maar in de beleving van veel nationalisten worden ook groepen binnen Birma onderdeel van het koloniale machtsprobleem.
Daarmee ontstaat een erfenis die na de onafhankelijkheid blijft bestaan.
8. Antikolonialisme kan zelf nationalistisch worden
Dit is misschien wel het interessantste punt.
Een antikoloniale beweging wil de koloniale overheerser verdrijven.
Maar wat gebeurt er daarna?
Wie wordt de eigenaar van de nieuwe staat?
Dat is de vraag die Myanmar uiteindelijk niet volledig heeft kunnen oplossen.
Want:
"Birma onafhankelijk van Groot-Brittannië"
is niet hetzelfde als:
"Alle volkeren van Birma voelen zich gelijkwaardige eigenaren van de staat."
Daar zit een enorm verschil.
9. Aung San en de droom van een gezamenlijke onafhankelijkheid
Generaal Aung San werd een van de belangrijkste figuren van de onafhankelijkheidsbeweging.
Maar hij begreep ook dat een toekomstige staat niet uitsluitend op Bamar-nationalisme kon worden gebouwd.
Daarom werd de Panglong-overeenkomst van 1947 historisch belangrijk.
Shan-, Kachin- en Chin-leiders sloten met Aung San afspraken over samenwerking rond onafhankelijkheid en de toekomstige politieke structuur. Het akkoord bevatte ook garanties en afspraken rond de positie van de zogenaamde Frontier Areas.
Vanuit een antikoloniale bril kun je Panglong daarom zien als een poging om een fundamenteel probleem op te lossen:
Hoe maak je van verschillende historische gemeenschappen één politieke gemeenschap zonder dat één groep de anderen absorbeert?
Dat probleem is nooit volledig opgelost.
En Aung San werd in 1947 vermoord.
Een jaar later werd Birma onafhankelijk.
10. Onafhankelijkheid betekent niet automatisch dekolonisatie
Dit is misschien de belangrijkste gedachte van het hele stuk.
Wanneer de Britse vlag verdwijnt, is het kolonialisme niet noodzakelijk volledig verdwenen.
De fysieke koloniale macht kan vertrekken.
Maar:
- bureaucratische systemen kunnen blijven bestaan;
- grenzen kunnen blijven bestaan;
- wetgeving kan blijven bestaan;
- economische structuren kunnen blijven bestaan;
- categorieën van bevolking kunnen blijven bestaan;
- ideeën over wie "beschaafd", "achterlijk", "inheems" of "vreemd" is kunnen blijven bestaan;
- het centrale staatsapparaat kan blijven bestaan.
Dat noemen we in een bredere antikoloniale analyse vaak de erfenis van het kolonialisme.
Daarom is 1948 niet simpelweg:
kolonialisme voorbij.
Het is eerder:
de strijd om wat de postkoloniale staat moet worden begint.
11. De grote vraag: van wie is Myanmar?
Hier begint de Rohingya-kwestie echt interessant te worden.
Want als de nieuwe staat wordt gebaseerd op een lijst van "nationale rassen", moet de staat bepalen:
Wie behoort tot de nationale gemeenschap?
En zodra burgerschap afhankelijk wordt van etnische afkomst, wordt geschiedenis een politiek wapen.
Dan wordt de vraag:
"Hoe lang woont jouw gemeenschap hier?"
ineens belangrijk voor:
"Heb jij recht op burgerschap?"
Dat is een enorme verschuiving.
12. De Rohingya: geen simpele zwart-witgeschiedenis
Een antikoloniale analyse moet hier extra voorzichtig zijn.
Er bestaan verschillende historische interpretaties over de oorsprong en ontwikkeling van de Rohingya-identiteit.
Er waren moslimgemeenschappen in Arakan/Rakhine vóór de Britse overheersing.
Tegelijkertijd was er tijdens de Britse koloniale periode aanzienlijke migratie vanuit gebieden van Brits-Indië naar Arakan.
Sommige historische bronnen leggen daarom sterke nadruk op migratie uit de Chittagong-regio tijdens de koloniale periode. Andere onderzoeken benadrukken juist de oudere moslimgeschiedenis van Arakan en de ontwikkeling van een eigen Rohingya-identiteit.
Het is dus historisch te simpel om te zeggen:
"De Rohingya kwamen allemaal pas met de Britten."
Maar het is óók te simpel om iedere moderne Rohingya-identiteit rechtstreeks gelijk te stellen aan één ononderbroken, onveranderde prekoloniale bevolking.
Onderzoek naar volkstellingen laat juist zien hoe ingewikkeld deze identiteitsvorming is geweest.
En precies daarin zit het antikoloniale punt:
Kolonialisme maakte migratie, administratie, etniciteit en territorium onderdeel van één bureaucratisch systeem. Later werden die koloniale categorieën gebruikt om te bepalen wie wel en wie niet tot de natie behoorde.
13. Het probleem van "inheems"
Het woord inheems klinkt eenvoudig.
Maar historisch gezien is het dat niet.
Wie is inheems?
Iemand die daar duizend jaar woont?
Vijfhonderd jaar?
Tweehonderd jaar?
Of iemand wiens voorouders vóór de koloniale grensvorming aanwezig waren?
En wat doe je met gemengde gemeenschappen?
Met migratie?
Met huwelijken?
Met vluchtelingen?
Met handelaren?
Met mensen die al generaties in hetzelfde gebied wonen?
Dit is niet alleen een academische discussie.
In Myanmar kan deze vraag letterlijk bepalen of iemand juridisch burger wordt.
Onderzoek naar het staatsburgerschapsrecht laat zien hoe Rohingya door opeenvolgende wettelijke veranderingen uiteindelijk grotendeels buiten de categorie van volwaardig staatsburgerschap kwamen te staan.
14. De Citizenship Law van 1982
De staatsburgerschapswet van 1982 is daarom een van de belangrijkste momenten in de moderne geschiedenis van de Rohingya.
De wet koppelde burgerschap sterk aan afkomst en aan categorieën van erkende nationale groepen.
Het gevolg was dat veel Rohingya geen volwaardig staatsburgerschap kregen.
Daarmee veranderde een historische identiteitsdiscussie in een juridische uitsluiting.
En dat is fundamenteel.
Want iemand kan nog steeds:
- geboren worden in een land;
- generaties lang in een gebied wonen;
- de lokale taal spreken;
- een eigen cultuur hebben;
maar toch juridisch worden behandeld alsof hij niet werkelijk bij het land hoort.
Onderzoek beschrijft deze ontwikkeling expliciet als een proces waarin wetgeving Rohingya steeds verder van volwaardig burgerschap verwijderde en uiteindelijk grote aantallen staatloos maakte.
15. Van koloniale categorie naar postkoloniale uitsluiting
Hier ontstaat een van de meest ongemakkelijke paradoxen.
Een staat die zichzelf presenteert als antikoloniale natiestaat kan tegelijkertijd categorieën gebruiken die mede zijn gevormd binnen het koloniale systeem.
Dat betekent niet dat Myanmar "nog steeds een Britse kolonie" is.
Dat zou onzin zijn.
Het betekent iets subtielers:
Een onafhankelijk land kan koloniale manieren van classificeren en besturen overnemen en vervolgens tegen andere bevolkingsgroepen gebruiken.
Dat is precies waarom antikolonialisme niet alleen moet vragen:
"Wie was de koloniale overheerser?"
maar ook:
"Welke koloniale structuren hebben overleefd nadat de koloniale overheerser vertrok?"
16. Rohingya als spiegel van de natiestaat
De Rohingya-kwestie vertelt daarom iets veel groters over Myanmar.
Het gaat niet alleen om moslims tegenover boeddhisten.
Het gaat om:
burgerschap.
territorium.
geschiedenis.
etniciteit.
nationaliteit.
staatsmacht.
En uiteindelijk:
wie mag zeggen: dit is mijn land?
Wanneer één bevolkingsgroep het recht krijgt om de geschiedenis van de natie te definiëren, kunnen andere groepen worden gereduceerd tot "migranten", "buitenstaanders" of "indringers".
Daarmee wordt geschiedenis een vorm van politieke macht.
17. Maar de Rohingya-crisis staat niet los van de rest van Myanmar
Een oppervlakkige analyse maakt van de Rohingya een uitzonderlijk probleem.
Een diepere analyse kijkt naar de bredere structuur.
Myanmar heeft tientallen jaren van gewapende conflicten gekend met verschillende etnische gewapende organisaties.
Kachin.
Karen.
Shan.
Chin.
Rakhine.
Mon.
En andere gemeenschappen.
Veel van deze conflicten draaien om:
- autonomie;
- federale macht;
- grondgebied;
- natuurlijke hulpbronnen;
- politieke vertegenwoordiging;
- taal;
- militaire controle.
Daarom is de Rohingya-kwestie onderdeel van een veel groter probleem:
De vraag hoe een zeer diverse samenleving wordt bestuurd door een sterk gecentraliseerde staat.
18. De militaire staat als postkoloniaal probleem
In 1962 greep het leger onder Ne Win de macht.
Vanaf dat moment werd het leger niet slechts een defensieorganisatie.
Het werd een politieke institutie die zichzelf ging zien als bewaker van de nationale eenheid.
Dit is belangrijk.
Want wanneer een leger denkt:
"Zonder ons valt het land uiteen,"
kan iedere eis om autonomie worden geïnterpreteerd als een bedreiging voor de nationale eenheid.
Dan ontstaat een vicieuze cirkel:
minderheden vragen autonomie → leger ziet separatisme → leger grijpt harder in → minderheden vertrouwen de staat minder → gewapend verzet groeit → leger ziet dat als bewijs dat harde controle noodzakelijk is.
En de cirkel gaat door.
19. Het leger en de erfenis van koloniale angst
Hier kunnen we nog dieper gaan.
Een postkoloniale staat kan worden gevormd vanuit een angst voor uiteenvallen.
De koloniale periode had immers verschillende gebieden en gemeenschappen politiek anders georganiseerd.
Na onafhankelijkheid ontstaat vervolgens de angst:
"Als we geen sterke centrale staat bouwen, valt Myanmar uit elkaar."
Het leger kan zichzelf daardoor presenteren als de enige kracht die het land bij elkaar houdt.
Dat maakt militarisme niet automatisch een rechtstreeks Brits product.
Maar de koloniale voorgeschiedenis kan wel helpen verklaren waarom territorium, etniciteit en staatsintegriteit zo explosieve onderwerpen werden.
20. 2017: de Rohingya-crisis bereikt een historisch dieptepunt
In 2017 leidde geweld in Rakhine State tot een enorme militaire operatie en massale vlucht van Rohingya naar Bangladesh.
Meer dan 700.000 mensen vluchtten naar Bangladesh.
De gebeurtenissen werden internationaal beschreven als etnische zuivering en door verschillende internationale instanties onderzocht in relatie tot genocide.
De crisis maakte één ding duidelijk:
staatloosheid is niet slechts een juridisch probleem.
Wanneer een bevolking weinig politieke bescherming heeft, kan juridische uitsluiting uiteindelijk samenkomen met fysieke uitsluiting.
21. De paradox van Aung San Suu Kyi
Hier moet ook een kritische antikoloniale analyse worden gemaakt.
Aung San Suu Kyi werd internationaal lange tijd gezien als symbool van democratie en verzet tegen militaire dictatuur.
Maar de behandeling van de Rohingya onder haar politieke leiding liet zien dat:
democratisering niet automatisch gelijkstaat aan inclusiviteit.
Een meerderheid kan democratisch worden vertegenwoordigd en tegelijkertijd een minderheid uitsluiten.
Daarom is democratie alleen niet voldoende.
De diepere vraag is:
Is de staat gebaseerd op universeel burgerschap, of op etnische nationale identiteit?
22. 2021: de militaire coup
In februari 2021 greep het leger opnieuw de macht.
Maar deze keer gebeurde er iets bijzonders.
De militaire onderdrukking leidde tot een veel bredere weerstand.
Jongeren.
Stedelijke bevolkingsgroepen.
Politieke activisten.
Etnische gewapende organisaties.
En verschillende gemeenschappen die eerder sterk van elkaar verschilden.
De burgerlijke ongehoorzaamheidsbeweging groeide.
Gewapend verzet ontstond.
En verschillende etnische strijdgroepen kregen opnieuw een belangrijke rol.
In 2026 is Myanmar nog altijd verwikkeld in een complexe burgeroorlog waarin het leger, etnische gewapende organisaties en pro-democratische strijdkrachten tegenover elkaar staan, met wisselende allianties.
23. De ironie van 2021
Hier zit een opmerkelijke historische ironie.
De militaire staat die decennialang beweerde:
"Wij moeten de nationale eenheid beschermen,"
heeft juist geholpen om een samenleving te creëren waarin steeds meer groepen zich tegen het centrale staatsapparaat keren.
Dat betekent niet dat alle gewapende groepen automatisch democratisch of inclusief zijn.
Ook etnische gewapende organisaties kunnen machtsstructuren, territoriale belangen en eigen vormen van nationalisme hebben.
Maar het laat wel zien dat:
militaire eenheid geen echte politieke eenheid is.
24. De Rohingya bevinden zich ondertussen opnieuw tussen verschillende machten
En hier wordt de situatie in 2026 nog ingewikkelder.
De Rohingya staan niet simpelweg tegenover één vijand.
In Rakhine State spelen meerdere actoren een rol.
Het Myanmar-leger.
De Arakan Army.
Lokale machtsstructuren.
Bangladesh.
Internationale organisaties.
En regionale machten.
Recente berichtgeving laat zien dat de situatie van Rohingya nog steeds zeer precair is en dat ook de Arakan Army wordt beschuldigd van ernstige misstanden tegen Rohingya.
Dat is belangrijk omdat een antikoloniale analyse niet mag vervallen in:
"Als iemand tegen de militaire junta vecht, is hij automatisch bevrijdend."
Nee.
Ook antikoloniale politiek moet kritisch blijven.
25. Anti-imperialisme betekent niet automatisch mensenrechten
Dit is een belangrijk onderscheid.
Je kunt kritiek hebben op:
- Britse kolonisatie;
- Amerikaanse geopolitiek;
- Chinese invloed;
- Russische steun aan de junta;
- Indiase regionale belangen;
en tegelijkertijd kritiek hebben op:
- het Myanmar-leger;
- etnisch nationalisme;
- vervolging van Rohingya;
- geweld van gewapende organisaties.
Dat is geen inconsistentie.
Dat is juist een consequente antikoloniale positie.
Want het uitgangspunt zou moeten zijn:
Geen enkele grootmacht en geen enkele lokale elite krijgt automatisch gelijk omdat zij zichzelf als antikoloniale kracht presenteert.
26. Myanmar vandaag: de koloniale erfenis is geen excuus
Dit is misschien het belangrijkste ethische punt.
Als we zeggen dat Britse kolonisatie heeft bijgedragen aan hedendaagse spanningen, betekent dat niet:
"Myanmar kan niets aan zijn eigen verantwoordelijkheid doen."
Dat zou de agency van de bevolking ontkennen.
Myanmar heeft sinds 1948 zijn eigen politieke beslissingen genomen.
Militaire leiders hebben eigen keuzes gemaakt.
Politieke partijen hebben eigen keuzes gemaakt.
Nationalistische bewegingen hebben eigen keuzes gemaakt.
Wetgevers hebben eigen wetten gemaakt.
De Citizenship Law van 1982 was geen Britse wet.
De militaire coup van 2021 was geen Britse coup.
De vervolging van Rohingya vandaag kan niet simpelweg aan Londen worden toegeschreven.
Het koloniale verleden kan iets verklaren.
Maar verklaren is niet hetzelfde als rechtvaardigen.
27. De diepste antikoloniale les
De geschiedenis van Myanmar laat zien dat kolonialisme niet alleen gaat over:
een Europeaan die een gebied bestuurt.
Kolonialisme gaat ook over de manier waarop macht:
- ruimte indeelt;
- mensen classificeert;
- arbeid organiseert;
- geschiedenis schrijft;
- grenzen trekt;
- bevolkingen telt;
- bepaalt wie "inheems" is;
- bepaalt wie politiek zichtbaar is.
En wanneer die systemen na onafhankelijkheid worden overgenomen, kunnen ze onderdeel worden van een nieuwe nationale orde.
Dat is waarom Myanmar zo'n interessant voorbeeld is van een postkoloniale staat.
28. De vraag die ik vanuit een antikoloniale bril zou stellen
Niet:
"Zijn de Rohingya Bengaalse immigranten of een inheems volk?"
Dat is te beperkt.
Maar:
Waarom is de identiteit van een bevolking in Myanmar überhaupt gekoppeld geraakt aan de vraag of zij recht heeft op burgerschap?
En vervolgens:
Waarom is etnische afkomst belangrijker geworden dan langdurige aanwezigheid, individuele rechten en gelijkwaardig burgerschap?
Daarmee verschuift de discussie.
Van:
"Wie was hier het eerst?"
naar:
"Welke staat willen we creëren?"
29. Een werkelijk postkoloniaal Myanmar
Vanuit deze antikoloniale visie zou een werkelijk postkoloniaal Myanmar niet simpelweg een Myanmar zijn zonder Britse invloed.
Het zou een staat zijn waarin:
Bamar niet automatisch gelijkstaat aan Myanmar.
Boeddhist niet automatisch gelijkstaat aan nationaal.
Moslim niet automatisch gelijkstaat aan buitenstaander.
Rohingya niet automatisch gelijkstaat aan immigrant.
Etnische minderheid niet automatisch gelijkstaat aan separatist.
En:
centrale staatsmacht niet automatisch gelijkstaat aan nationale eenheid.
Dat is een veel radicalere vorm van dekolonisatie.
30. Slot – Myanmar moet niet alleen van een leger worden bevrijd, maar van een bepaald idee van de staat
Als ik deze analyse vanuit een antikoloniale bril zou afsluiten, zou ik zeggen:
Myanmar heeft niet alleen een probleem met een militaire junta.
Myanmar heeft een veel ouder probleem:
wie mag Myanmar definiëren?
De Britten hebben Birma gekoloniseerd.
Maar na de onafhankelijkheid ontstond de moeilijke opdracht om van een gebied met verschillende volkeren een politieke gemeenschap te maken.
Die opdracht is nooit volledig geslaagd.
De staat werd sterk gecentraliseerd.
Etniciteit werd politiek belangrijk.
Burgerschap werd verbonden aan nationale categorieën.
Minderheden bleven vechten voor autonomie.
Het leger presenteerde zichzelf als beschermer van de nationale eenheid.
En de Rohingya werden uiteindelijk een van de meest extreme voorbeelden van wat er gebeurt wanneer een staat besluit dat een bevolkingsgroep niet volledig tot de natie behoort.
De geschiedenis van Myanmar laat daarmee iets zien wat veel verder gaat dan Zuidoost-Azië.
Kolonialisme eindigt niet altijd wanneer de koloniale vlag wordt neergehaald.
Soms blijven de categorieën bestaan.
Soms blijven de grenzen bestaan.
Soms blijft het centrale staatsmodel bestaan.
Soms blijven de ideeën over wie "echt" tot een land behoort bestaan.
En soms neemt een nieuwe nationale elite precies die instrumenten over die ooit door een koloniale macht werden gebruikt.
Daarom is de echte antikoloniale vraag niet:
"Wie was de laatste koloniale overheerser?"
De echte vraag is:
"Wie heeft vandaag de macht om te bepalen wie erbij hoort?"
En misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste vraag van Myanmar.
Want zolang een staat zijn bevolking blijft verdelen in mensen die meer Myanmar en mensen die minder Myanmar zouden zijn, blijft de koloniale erfenis – in veranderde vorm – doorwerken.
Een werkelijk postkoloniaal Myanmar zou daarom niet alleen onafhankelijk moeten zijn van buitenlandse machten.
Het zou ook onafhankelijk moeten worden van het idee dat één nationale identiteit het recht heeft om alle andere identiteiten ondergeschikt te maken.
Dat is waar dekolonisatie pas werkelijk begint.