Analyse van Indonesië: diepgaande inzichten
INDONESIË ONTLEED
Volkeren, eilanden, kolonialisme, verzet, Japanse bezetting, Soekarno, Hatta, de Molukken en West-Papua
Een lange cultureel-antropologische en antikoloniale analyse in het perspectief van Joy Enait
Inleiding — Indonesië is geen enkelvoudige geschiedenis
Wanneer Joy Enait de geschiedenis van Indonesië vanuit een antikoloniale cultureel-antropologische bril zou benaderen, zou het uitgangspunt niet zijn dat Nederland "Indonesië ontdekte".
Het uitgangspunt zou zijn:
Welke mensen woonden hier al? Welke samenlevingen hadden zij opgebouwd? Welke talen spraken zij? Welke religies hadden zij? Welke politieke systemen bestonden er? En wat veranderde er toen Europese machten deze wereld binnendrongen?
Dat perspectief verandert het hele verhaal.
Want "Indonesië" is tegenwoordig één staat, maar historisch was de archipel nooit één homogene samenleving.
Er zijn Javanen, Sundanezen, Madurezen, Maleiers, Atjehers, Minangkabau, Batak-volkeren, Dayaks, Banjar, Buginezen, Makassaren, Toraja, Balinezen, Sasak, Sumbanezen, Floresse bevolkingsgroepen, Timorezen, Ambonezen, Banda-nezen, Kei, Aru, Ternatezen, Tidorezen en honderden Papoease volkeren.
De talen verschillen.
De religies verschillen.
De politieke tradities verschillen.
De koloniale ervaringen verschillen.
Zelfs de betekenis van "Indonesisch" verschilt per regio.
Daarom is een van de belangrijkste conclusies van een analyse in het door jou bedoelde Joy Enait-perspectief:
Je kunt Indonesië niet begrijpen als je alleen naar Jakarta, Java en Soekarno kijkt.
Je moet ook naar Banda kijken.
Naar Aceh.
Naar Bali.
Naar Sulawesi.
Naar Ambon.
Naar Papua.
Naar kleine eilanden waar koloniale machtsvorming misschien nog ingrijpender was dan in de grote steden.
DEEL I — VOOR NEDERLAND
1. De archipel bestond al
De Indonesische archipel was vóór Europese kolonisatie onderdeel van enorme handelsnetwerken.
Scheepvaart verbond Sumatra, Java, Kalimantan, Sulawesi, de Molukken en de Kleine Soenda-eilanden met India, China, het Arabische gebied en andere delen van Zuidoost-Azië.
De geschiedenis begon dus niet in 1596 met Nederlandse schepen.
Er waren al:
- landbouwsamenlevingen;
- zeevarende gemeenschappen;
- koninkrijken;
- sultanaten;
- dorpsgemeenschappen;
- handelssteden;
- religieuze centra;
- lokale elites;
- oorlogen;
- migratie;
- en internationale handelscontacten.
Dit is het eerste grote verschil tussen een koloniale en een antikoloniale geschiedenis.
Een koloniale geschiedenis kan beginnen bij:
"De Europeanen kwamen aan."
Een antikoloniale geschiedenis begint eerder bij:
"De Europeanen kwamen ergens aan waar al mensen woonden."
2. De oudste bevolkingslagen
De bevolkingsgeschiedenis van Indonesië is buitengewoon complex.
Een groot deel van de bevolking van de westelijke en centrale archipel behoort tot Austronesische taalgroepen. Tegelijkertijd zijn er in het oosten en vooral op Nieuw-Guinea diepe Papoease bevolkingsgeschiedenissen die veel ouder zijn dan de moderne Indonesische staat.
Daarmee moet voorzichtig worden omgegaan.
"Indonesiër" is geen biologisch of etnisch ras.
Het is in de moderne betekenis vooral een nationale identiteit.
Dat is belangrijk.
Een Javaan en een Papoea kunnen beiden Indonesisch staatsburger zijn, maar hebben niet noodzakelijk dezelfde etnische, taalkundige of historische achtergrond.
Dat is precies waarom een cultureel antropologische benadering nodig is.
3. Srivijaya — Sumatra als maritieme macht
Op Sumatra ontstond Srivijaya, een belangrijke maritieme macht die vooral rond de Straat van Malakka invloed ontwikkelde.
Hierdoor wordt een oud koloniale misverstand zichtbaar.
Europese koloniale geschiedschrijving presenteerde Zuidoost-Azië soms als een gebied dat pas door Europese handel werd opgenomen in een internationale economie.
Dat klopt niet.
De regio had al eeuwenlang internationale handel.
China, India, de Arabische wereld en Zuidoost-Aziatische gemeenschappen waren al met elkaar verbonden.
Nederland kwam dus niet naar een economisch vacuüm.
Nederland kwam in een bestaande wereldeconomie terecht.
DEEL II — DE VOLKEREN VAN SUMATRA
4. De Atjehers
In het uiterste noorden van Sumatra ontstond het sultanaat Atjeh.
Atjeh werd een belangrijke islamitische politieke macht en stond in verbinding met de bredere islamitische wereld.
De Atjehse geschiedenis is belangrijk omdat zij laat zien dat islam in Indonesië niet simpelweg een product van Arabische of Europese invloed was.
De islam werd lokaal aangepast.
Atjeh ontwikkelde een eigen politieke cultuur waarin islam, lokale adat en staatsmacht met elkaar verweven waren.
Toen Nederland Atjeh probeerde te onderwerpen, vocht het dus niet alleen tegen een "leger".
Het vocht tegen:
- religieuze leiders;
- lokale elites;
- dorpsnetwerken;
- strijders;
- families;
- en een politieke cultuur waarin verzet religieus en sociaal kon worden gelegitimeerd.
De Atjehoorlog werd daardoor een van de langdurigste koloniale oorlogen.
Vanuit het perspectief van Joy Enait is dit belangrijk:
koloniale oorlog is niet alleen een botsing tussen twee legers.
Het is een botsing tussen twee ideeën van legitimiteit.
Nederland zei:
"Wij hebben soevereiniteit."
Atjeh zei:
"Waarom zouden wij die Nederlandse soevereiniteit accepteren?"
5. De Minangkabau
West-Sumatra kent de Minangkabau.
Zij staan onder andere bekend om een matrilineaire verwantschapsstructuur.
Er ontstond bovendien een complexe verhouding tussen:
adat — lokale traditie,
en
islam.
Dat laat opnieuw zien dat islamisering niet automatisch betekende dat lokale cultuur verdween.
De lokale samenleving vormde de religieuze invloed om.
Dat is een belangrijk antropologisch uitgangspunt:
mensen ontvangen cultuur niet passief; ze interpreteren en veranderen haar.
De Nederlandse koloniale staat raakte vervolgens betrokken bij conflicten binnen de Minangkabause samenleving, waaronder de Padri-oorlog.
Koloniale macht kon daardoor lokale tegenstellingen gebruiken om haar eigen invloed uit te breiden.
6. De Batak-volkeren
In Noord-Sumatra leven verschillende Batak-volkeren.
Onder andere:
- Toba Batak;
- Karo;
- Mandailing;
- Simalungun;
- Pakpak;
- Angkola.
"Batak" is dus zelf geen volledig homogene groep.
Ook hier is het belangrijk om niet één koloniale categorie automatisch als één volk te behandelen.
Missionering, islamisering en koloniale bestuurssystemen veranderden verschillende Batakse gemeenschappen op verschillende manieren.
De Karo-Batak kregen bijvoorbeeld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog zwaar te maken met geweld. NIOD-bronnen noemen voor de periode voorafgaand aan de eerste Nederlandse militaire actie duizenden slachtoffers onder de Karo-Batak, al blijven exacte aantallen onzeker.
Dat laat zien waarom de geschiedenis van Indonesië niet alleen vanuit Java verteld mag worden.
DEEL III — JAVA
7. De Javanen
Java werd het demografische en politieke centrum van Nederlands-Indië.
De Javanen vormen een van de grootste bevolkingsgroepen van de archipel.
Maar ook "de Javaan" is geen eenvoudige categorie.
Er bestaan verschillen tussen:
- boeren;
- stedelijke bevolking;
- hofculturen;
- islamitische organisaties;
- abangan-tradities;
- santri-gemeenschappen;
- aristocratische elites;
- arbeiders;
- intellectuelen.
Java kende bovendien oude politieke tradities.
Mataram en andere Javaanse rijken ontwikkelden eigen concepten van macht, hofcultuur en kosmologie.
Nederland kwam dus niet in een politiek lege samenleving.
Het koloniale bestuur moest onderhandelen met bestaande elites.
8. De Sundanezen
In West-Java leven de Sundanezen.
Hun taal, cultuur en historische ontwikkeling verschillen van die van de Javanen.
West-Java werd onderdeel van de koloniale economie en kende eveneens plantage- en landbouwstructuren.
Maar de Sundanese geschiedenis laat zien dat zelfs binnen Java grote regionale verschillen bestonden.
Wanneer men zegt:
"de Indonesische bevolking"
verdwijnt deze diversiteit.
Een antropologische analyse probeert die verschillen juist zichtbaar te maken.
9. De Madurezen
De Madurezen komen oorspronkelijk van Madura en wonen ook in grote aantallen elders, waaronder Oost-Java.
Migratie is een essentieel onderdeel van de Indonesische geschiedenis.
Koloniale economieën verplaatsten mensen.
Later zou de Indonesische staat eveneens grootschalige migratieprogramma's ontwikkelen.
Daarom is bevolkingsverplaatsing niet slechts een modern verschijnsel.
Het is onderdeel van de koloniale en postkoloniale geschiedenis.
10. Het Cultuurstelsel
Vanaf 1830 werd het Cultuurstelsel ingevoerd.
Boeren in grote delen van Java moesten een deel van hun grond of arbeid inzetten voor exportgewassen.
Voor Nederland leverde dit grote inkomsten op.
Hier komt de antikoloniale economische analyse van Joy Enait sterk naar voren.
De vraag is niet alleen:
"Heeft Nederland spoorwegen en infrastructuur gebouwd?"
De vraag is:
"Waarom werd die infrastructuur gebouwd?"
Voor wie?
En met welk geld?
Een spoorweg kan modernisering betekenen.
Maar wanneer die spoorweg vooral wordt gebruikt om producten van plantages naar havens te vervoeren, is hij tegelijkertijd onderdeel van een extractieve koloniale economie.
Dat is de dubbele betekenis van koloniale modernisering.
DEEL IV — BALI
11. De Balinezen
Bali ontwikkelde een eigen hindoeïstische cultuur die sterk beïnvloed werd door oudere Javaanse en Indiase tradities.
Het eiland kende meerdere koninkrijken.
De Nederlandse verovering van Bali werd uiteindelijk gewelddadig.
De Puputan werd een symbool van Balinees verzet.
Maar er zit nog een tweede laag aan.
Nederland maakte van Bali later ook een soort koloniale culturele voorstelling:
het exotische, traditionele, spirituele Bali.
Dit is antropologisch zeer interessant.
Eerst wordt een samenleving militair onderworpen.
Daarna wordt haar cultuur bewonderd.
Dezelfde koloniale macht die politieke autonomie vernietigt, kan vervolgens de cultuur van diezelfde bevolking als exotisch erfgoed presenteren.
Een antikoloniale analyse vraagt daarom:
Wie heeft het recht om een cultuur te definiëren?
DEEL V — BORNEO/KALIMANTAN
12. De Dayak-volkeren
Kalimantan is enorm.
De term "Dayak" verwijst naar een groot aantal verschillende inheemse volkeren, niet naar één homogeen volk.
Er bestaan grote verschillen in:
- taal;
- religie;
- sociale organisatie;
- leefgebied;
- politieke geschiedenis.
Sommige gemeenschappen werden christelijk beïnvloed.
Andere werden islamitisch.
Veel lokale tradities bleven bestaan.
De koloniale staat probeerde deze verschillende gemeenschappen bestuurlijk te categoriseren.
Dat is opnieuw een voorbeeld van:
kennis als macht.
Een overheid die volkeren indeelt, kan ze gemakkelijker besturen.
13. De Banjar
In Zuid-Kalimantan ontstond de islamitische Banjar-samenleving.
Het sultanaat Banjar werd betrokken bij Nederlandse expansie.
De koloniale geschiedenis van Kalimantan laat zien dat Europese macht niet simpelweg één volk onderwierp.
Ze kwam terecht in een landschap van:
- sultanaten;
- Dayak-gemeenschappen;
- Maleise gemeenschappen;
- handelsnetwerken;
- Chinese gemeenschappen;
- en lokale machtscentra.
DEEL VI — SULAWESI
14. De Buginezen
De Buginezen behoren historisch tot de grote zeevarende volkeren van de archipel.
Zij waren actief in handel en scheepvaart.
Hun mobiliteit laat zien dat de archipel al vóór Nederlandse koloniale overheersing één verbonden maritieme wereld was.
De koloniale staat probeerde vervolgens steeds meer controle uit te oefenen over handelsroutes en havens.
Daarmee werd kolonialisme ook een strijd om:
mobiliteit.
Wie mag varen?
Wie mag handelen?
Wie mag een haven gebruiken?
Wie bepaalt belasting?
Wie controleert de markt?
15. De Makassaren
Makassar was een belangrijk handelscentrum.
Het koninkrijk Gowa ontwikkelde zich tot een belangrijke politieke en economische macht.
De strijd tussen Gowa en de VOC laat zien hoe Nederland probeerde lokale handelsmacht te breken.
De Nederlandse expansie was dus niet alleen territoriaal.
Het was ook economisch.
De VOC wilde niet alleen grond.
Ze wilde:
monopolie.
Dat onderscheid is essentieel.
16. De Toraja
In het bergachtige Sulawesi ontwikkelden de Toraja hun eigen religieuze en sociale systemen.
Later werd een groot deel van de bevolking christelijk.
De koloniale en missionaire geschiedenis beïnvloedde daardoor religie, onderwijs en sociale organisatie.
Maar ook hier geldt:
Christendom betekent niet automatisch volledige culturele vervanging.
Lokale tradities bleven bestaan en werden opnieuw geïnterpreteerd.
17. Minahasa
In Noord-Sulawesi ontstond een relatief sterke christelijke identiteit.
De relatie tussen bepaalde lokale elites, missionering en het Nederlandse bestuur was hier anders dan bijvoorbeeld in islamitische delen van Java of Atjeh.
Dit is belangrijk.
Kolonialisme werkte niet overal hetzelfde.
Nederland kon in het ene gebied vooral militair geweld gebruiken.
In een ander gebied kon het samenwerken met lokale elites.
In weer een ander gebied werkte het via missionarissen, scholen of handelsnetwerken.
DEEL VII — DE MOLUKKEN
18. De Molukken vóór Nederland
De Molukken vormen misschien wel het beste voorbeeld van hoe kolonialisme een bestaande handelswereld kon veranderen.
Ternate en Tidore waren belangrijke sultanaten.
Ambon had eigen politieke gemeenschappen.
Banda was een internationaal handelscentrum.
De Banda-eilanden waren cruciaal voor nootmuskaat en foelie.
Handelaars uit China, India, Arabië en Java kwamen daar al vóór de Europeanen.
Dus opnieuw:
de Nederlanders ontdekten de specerijenhandel niet.
Ze probeerden haar te monopoliseren.
19. Banda — een van de donkerste hoofdstukken van het kolonialisme
In 1621 organiseerde Jan Pieterszoon Coen een VOC-campagne tegen Banda.
De reden was in belangrijke mate de controle over nootmuskaat en foelie.
Het Nederlandse Nationaal Archief beschrijft dat ongeveer 14.000 Bandanezen werden gedood en dat anderen vluchtten of tot slaaf werden gemaakt. Andere historische reconstructies geven verschillende aantallen en benadrukken dat niet iedereen werd gedood; daarom moeten precieze cijfers voorzichtig worden behandeld.
Het fundamentele historische punt staat echter vast:
de VOC vernietigde in 1621 de bestaande Bandanese samenleving op grote schaal om een specerijenmonopolie af te dwingen.
Daarna werd Banda ingericht als een plantage-economie waarin tot slaaf gemaakte mensen het werk verrichtten.
Het Nationaal Archief beschrijft hoe duizenden tot slaaf gemaakte mensen naar Banda werden gebracht, onder andere vanuit omliggende gebieden en Nieuw-Guinea.
Dit is een essentieel voorbeeld voor een antikoloniale analyse.
De VOC wilde niet slechts handel.
Ze wilde:
controle over productie.
Daarmee veranderde de koloniale relatie van handel naar economische overheersing.
20. Ambon
Ambon werd een belangrijk centrum van Nederlandse macht in de Molukken.
Een deel van de bevolking werd christelijk en later ontstond een sterke band tussen bepaalde Molukse gemeenschappen en het KNIL.
Maar dit moet niet worden gereduceerd tot:
"Molukkers waren Nederlanders."
Dat is historisch te simpel.
Molukse gemeenschappen hadden hun eigen identiteiten, religies, lokale belangen en politieke geschiedenis.
Het koloniale systeem maakte vervolgens gebruik van sommige van deze gemeenschappen binnen zijn militaire structuur.
21. Ternate en Tidore
Ternate en Tidore waren machtige sultanaten voordat de Nederlandse macht dominant werd.
Zij hadden eigen diplomatieke relaties en handelsnetwerken.
De Europeanen kwamen dus niet naar een gebied zonder staten.
Zij moesten bestaande staten:
- verdringen;
- manipuleren;
- bondgenootschappen aangaan;
- of militair onderwerpen.
Ook hier zien we:
kolonialisme was een proces van machtsherstructurering.
22. Kei, Aru en Seram
De kleinere eilanden van de Molukken mogen niet verdwijnen in het verhaal.
Kei, Aru en Seram hadden eigen samenlevingen, talen en handelsrelaties.
De koloniale economie maakte deze gebieden onderdeel van grotere systemen.
Bovendien werden mensen uit omliggende gebieden betrokken bij de slavernij-economie van Banda.
Hierdoor laat de Molukse geschiedenis zien hoe koloniale economie niet altijd alleen de directe kolonie beïnvloedde.
De gevolgen verspreidden zich over een hele regio.
DEEL VIII — RELIGIE EN KOLONIALISME
23. Islam
Islam werd in grote delen van Indonesië dominant.
Maar Indonesische islam ontwikkelde zich lokaal.
In verschillende gebieden bleven adat, lokale tradities en islam met elkaar verweven.
Een anti-koloniale analyse moet daarom vermijden om Indonesische moslims alleen als "islamitische bevolking" te beschrijven.
Het zijn tegelijkertijd:
- lokale volkeren;
- families;
- gemeenschappen;
- politieke actoren;
- religieuze actoren.
24. Christendom
Christendom kreeg vooral in bepaalde gebieden sterke invloed:
- delen van de Molukken;
- Minahasa;
- Flores;
- Timor;
- delen van Papua.
Dat gebeurde via Portugese én Nederlandse aanwezigheid, missionering, onderwijs en lokale processen.
Maar ook hier geldt:
religieuze bekering betekende niet dat lokale identiteit verdween.
Een Ambonees christen bleef bijvoorbeeld verbonden aan een Molukse regionale identiteit.
Een Papoea-christen bleef verbonden aan zijn eigen volk en land.
25. Hindoeïsme en Bali
Bali vormt het belangrijkste voorbeeld van een grote hindoeïstische meerderheid binnen Indonesië.
De Balinese religie is bovendien niet simpelweg een kopie van het Indiase hindoeïsme.
Ze is verbonden met lokale tradities, voorouderverering, kosmologie en oudere Javaans-Balinese religieuze systemen.
Dat is precies het soort culturele vermenging dat een antropoloog onderzoekt.
DEEL IX — DE KOLONIALE STAAT
26. Van VOC naar Nederlands-Indië
De VOC was een handelscompagnie met vergaande militaire en politieke bevoegdheden.
Na het faillissement van de VOC eind achttiende eeuw nam de Nederlandse staat de koloniale bezittingen over.
Zo ontwikkelde zich uiteindelijk Nederlands-Indië.
Maar de koloniale staat controleerde niet vanaf het begin ieder eiland volledig.
Controle werd geleidelijk uitgebreid.
Sommige gebieden werden rechtstreeks bestuurd.
Andere via lokale vorsten.
Weer andere via militaire expedities.
Daarom was Nederlands-Indië geen volledig uniforme staat.
Het was een koloniaal netwerk van verschillende machtsvormen.
27. Rassenhiërarchie
Kolonialisme ging ook over sociale classificatie.
De bevolking werd juridisch en sociaal in verschillende categorieën ingedeeld.
Europeanen stonden doorgaans bovenaan.
Daaronder ontstonden andere categorieën zoals "Vreemde Oosterlingen" en "Inlanders".
Dit was geen neutrale administratie.
Het bepaalde:
- toegang tot onderwijs;
- recht;
- woonruimte;
- economische mogelijkheden;
- sociale status;
- en politieke macht.
Een anti-koloniale analyse van Joy Enait zou daarom niet alleen naar militaire overheersing kijken.
Ook de sociale psychologie van kolonialisme is belangrijk.
Mensen leren binnen zo'n systeem dat sommige groepen meer waard zijn dan andere.
DEEL X — DE GEBOORTE VAN INDONESISCH NATIONALISME
28. Onderwijs creëert een nieuwe elite
Het koloniale onderwijs had een paradoxaal effect.
Nederland wilde beperkte groepen opleiden voor bestuur en economie.
Maar sommige van die opgeleide Indonesiërs begonnen juist vragen te stellen over koloniale macht.
Zij lazen over:
- nationalisme;
- socialisme;
- islamitische hervorming;
- antikolonialisme;
- zelfbeschikking.
De kolonie creëerde daardoor gedeeltelijk de intellectuele klasse die haar eigen legitimiteit ging betwisten.
29. Soekarno
Soekarno werd een van de belangrijkste leiders van het Indonesische nationalisme.
Zijn centrale vraag was:
Hoe kunnen verschillende volkeren zichzelf als één politieke gemeenschap zien?
Zijn antwoord was:
Indonesië.
De Indonesische identiteit was daarmee niet simpelweg een oude etnische identiteit.
Het was een politiek project.
Een project dat Javanen, Sundanezen, Sumatraanse volkeren, Sulawesi-groepen, Molukkers en andere gemeenschappen onder één nationale identiteit probeerde te brengen.
30. Hatta
Mohammad Hatta was cruciaal voor de politieke en economische ontwikkeling van het nationalisme.
Hatta en Soekarno vulden elkaar aan.
Soekarno werd de charismatische politieke mobilisator.
Hatta was sterk verbonden met organisatorische en economische ideeën.
Samen werden zij de symbolische leiders van de Republiek.
DEEL XI — JAPAN
31. 1942 — de Nederlandse koloniale mythe breekt
Japan viel Nederlands-Indië binnen.
Het Nederlandse leger werd snel verslagen.
Voor de Indonesische bevolking had dit een enorme symbolische betekenis.
Een Europese macht die zichzelf als superieur had gepresenteerd, bleek militair niet onaantastbaar.
Maar Japan bracht geen vrijheid.
Japan was een militaire bezettingsmacht.
Er waren:
- dwangarbeid;
- voedseltekorten;
- repressie;
- gevangenschap;
- executies;
- geweld.
De romusha werden onder zware omstandigheden gedwongen te werken.
32. Soekarno en Hatta onder Japan
De Japanners gebruikten Indonesische nationalisten voor mobilisatie.
Dat was opportunistisch.
Maar de Indonesische nationalisten konden de situatie eveneens gebruiken om organisatorische ervaring op te bouwen.
Dit is een belangrijk antropologisch principe:
macht werkt niet altijd één kant op.
De Japanse staat probeerde Indonesiërs te mobiliseren.
Indonesische leiders gebruikten die mobilisatie tegelijkertijd om nationalistische structuren te versterken.
DEEL XII — 1945
33. 17 augustus 1945
Japan capituleerde.
Op 17 augustus 1945 verklaarden Soekarno en Hatta de Indonesische onafhankelijkheid.
Dit was geen symbolische gebeurtenis zonder gevolgen.
Het betekende:
de koloniale legitimiteit werd openlijk verworpen.
Nederland wilde deze onafhankelijkheid echter niet direct accepteren.
Daarmee begon de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.
34. De Nederlandse militaire terugkeer
Nederland wilde opnieuw politieke controle krijgen.
De Nederlandse term:
"politionele acties"
is daarom historisch problematisch.
Het ging om grootschalige militaire operaties tijdens een dekolonisatieoorlog.
Het grote Nederlandse onderzoeksprogramma van NIOD, KITLV en NIMH concludeerde in 2022 dat Nederlandse militairen op structurele basis extreem geweld gebruikten en dat dit op politiek, militair en juridisch niveau werd getolereerd.
Het onderzoek noemt onder andere:
- buitengerechtelijke executies;
- marteling;
- mishandeling;
- brandstichting;
- vernietiging van dorpen;
- massa-arrestaties;
- internering;
- luchtaanvallen;
- artilleriebeschietingen;
- vernietiging van voedsel en eigendommen.
Dit betekent niet dat Indonesische strijders geen geweld gebruikten.
Dat deden zij wel.
Het NIOD benadrukt eveneens dat alle gewapende partijen vormen van extreem geweld toepasten.
Maar dat verandert het centrale antikoloniale punt niet:
Nederland probeerde met militair geweld opnieuw de regie over het dekolonisatieproces te nemen.
35. Bersiap
De Bersiap-periode was eveneens zeer gewelddadig.
Indonesische revolutionaire groepen richtten geweld tegen onder andere Nederlanders, Indo-Europeanen, Molukkers en mensen die als collaborateurs werden gezien.
Het aantal slachtoffers is onderwerp van historisch debat; NIOD geeft uiteenlopende schattingen en benadrukt de onzekerheid van de cijfers.
Een antikoloniale analyse mag dit geweld niet verzwijgen.
Maar het mag ook niet worden gebruikt om de Nederlandse herkolonisatie achteraf als noodzakelijk te presenteren.
Het NIOD concludeert expliciet dat de Bersiap wel onderdeel was van de dynamiek van het geweld, maar niet de reden vormde voor de Nederlandse militaire herbezetting.
Dat onderscheid is essentieel.
DEEL XIII — DE MOLUKSE KWESTIE
36. KNIL
Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger bestond uit verschillende bevolkingsgroepen.
Molukse militairen vormden daarin een belangrijke groep.
Voor sommige Molukse families was de KNIL-dienst onderdeel geworden van hun sociale en economische positie.
Toen Indonesië onafhankelijk werd, ontstond een enorme loyaliteitscrisis.
Wat moest een Molukse militair doen?
Nederland volgen?
Indonesië volgen?
Een eigen Molukse politieke toekomst nastreven?
Er bestond geen eenvoudig antwoord.
37. RMS
In 1950 werd de Republiek der Zuid-Molukken uitgeroepen.
De RMS claimde politieke onafhankelijkheid.
Indonesië wilde de eenheidsstaat handhaven.
De kwestie werd militair uitgevochten.
Daarna werden duizenden Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen naar Nederland gebracht.
Het Nationaal Archief vermeldt dat tussen februari en juni 1951 ongeveer 12.500 Molukkers via twaalf bootreizen naar Nederland kwamen.
De Nederlandse overheid ging aanvankelijk uit van een tijdelijk verblijf.
Dat gebeurde niet.
De Molukse gemeenschap werd onderdeel van Nederland.
38. Een postkoloniale paradox
Hier ontstaat een bijzonder belangrijke vraag.
Nederland had een koloniale militaire structuur opgebouwd.
Die structuur had Molukse militairen ingezet.
Toen de koloniale staat verdween, werden de gevolgen daarvan letterlijk naar Nederland verplaatst.
De koloniale geschiedenis eindigde dus niet op Indonesische bodem.
Ze kwam mee naar Nederland.
Dat is een typisch postkoloniaal verschijnsel.
DEEL XIV — WEST-PAPUA
39. Papoea is geen één volk
Dit moet zeer duidelijk worden gesteld.
"De Papoea's" vormen geen homogeen volk.
West-Nieuw-Guinea kent honderden verschillende etnische en taalkundige gemeenschappen.
Er zijn:
- bergvolkeren;
- kustvolkeren;
- riviergemeenschappen;
- eilandgemeenschappen;
- verschillende taalfamilies;
- verschillende religieuze tradities;
- verschillende politieke structuren.
Een Papoease gemeenschap in de hooglanden kan historisch totaal anders zijn dan een kustgemeenschap.
Daarom moet ook "Papoea-identiteit" als een gelaagde identiteit worden gezien.
40. Nederlandse Nieuw-Guinea
Na 1949 bleef West-Nieuw-Guinea buiten de Nederlandse soevereiniteitsoverdracht.
Nederland begon in de jaren vijftig bovendien politieke instituties voor Papoease vertegenwoordiging te ontwikkelen.
Daarmee ontstond een eigen Papoease politieke ontwikkeling.
Maar Indonesië zag dit als een voortzetting van Nederlands kolonialisme.
Jakarta stelde:
West-Irian hoort bij Indonesië.
Papoease nationalisten konden daar tegenover stellen:
Wij hebben een eigen identiteit en moeten zelf beslissen.
Hier ontstaat de moeilijkste vraag van de hele Indonesische geschiedenis.
41. Wie is de antikoloniale partij?
Als Nederland West-Papua controleert:
is dat kolonialisme.
Maar als Indonesië daarna zegt:
"Omdat wij voormalig gekoloniseerd zijn, mogen wij automatisch over de Papoease toekomst beslissen,"
ontstaat een tweede probleem.
Een consequent antikolonialisme zegt:
de bevolking zelf moet politieke agency hebben.
Daarom is West-Papua zo belangrijk voor een analyse in het kader van Joy Enait.
Het dwingt ons om antikolonialisme consequent toe te passen.
42. Indonesische integratie
In 1962 werd via het New York Agreement een internationale overgangsregeling getroffen.
Het bestuur kwam tijdelijk onder de Verenigde Naties en werd daarna aan Indonesië overgedragen.
In 1969 volgde de Act of Free Choice.
Daarover bestaat veel historische kritiek.
De vraag is niet alleen:
"Was er een formele stemming?"
Maar:
"Was de keuze werkelijk vrij en representatief voor de bevolking?"
Dat is een fundamenteel verschil tussen formele procedure en daadwerkelijke zelfbeschikking.
43. West-Papua na 1969
Het conflict verdween niet.
Er ontstonden gewapende onafhankelijkheidsbewegingen en voortdurende politieke spanningen.
Ook de Indonesische staat investeerde in infrastructuur, onderwijs en integratie.
Maar er ontstonden tegelijkertijd klachten over:
- militaire aanwezigheid;
- mensenrechten;
- land;
- natuurlijke hulpbronnen;
- migratie;
- culturele marginalisering;
- en politieke autonomie.
De discussie over West-Papua is daarom niet simpelweg:
"Indonesië tegen separatisten."
De diepere vraag is:
Wie heeft het recht om over land, identiteit en politieke toekomst te beslissen?
DEEL XV — TRANSMIGRATIE EN HET CENTRUM
44. Java versus de periferie
Een belangrijk postkoloniaal probleem is de enorme demografische dominantie van Java.
Jakarta en Java werden het politieke centrum.
Maar de staat strekt zich uit over een enorm gebied.
Voor perifere gebieden kan dat leiden tot het gevoel:
"Wij worden bestuurd vanuit een ver weg gelegen centrum."
Dit is vooral belangrijk in:
- Papua;
- Maluku;
- Sulawesi;
- Kalimantan;
- Aceh.
De vraag naar autonomie ontstaat dan niet noodzakelijk omdat mensen "tegen Indonesië" zijn.
Soms gaat het om:
meer controle over eigen land en eigen gemeenschap.
DEEL XVI — SOEHARTO
45. Van Soekarno naar Suharto
Na de crisis van 1965 veranderde Indonesië ingrijpend.
Suharto bouwde de New Order.
De staat werd sterk gecentraliseerd.
Het leger kreeg grote politieke invloed.
Nationale eenheid werd een zeer belangrijk uitgangspunt.
Maar een sterk gecentraliseerde staat kan tegelijkertijd stabiliteit én onderdrukking produceren.
Daarom is de periode van Suharto vanuit een antikoloniale bril dubbelzinnig.
Enerzijds werd Indonesië een krachtige onafhankelijke staat.
Anderzijds werden regionale en politieke tegenstemmen onderdrukt.
46. De anti-koloniale paradox
Hier komt de kern van de hele analyse terug.
Een staat kan ontstaan uit een bevrijdingsbeweging.
Maar zodra die staat macht krijgt, kan zij zelf machtsmechanismen ontwikkelen die lijken op mechanismen die zij eerder bestreed:
- centralisatie;
- militaire controle;
- economische exploitatie;
- classificatie;
- landonteigening;
- onderdrukking van politieke oppositie.
Dat betekent niet dat Indonesië "hetzelfde als Nederland" werd.
Dat zou historisch onjuist zijn.
De koloniale verhouding Nederland-Indonesië was fundamenteel anders.
Maar een anti-koloniale analyse moet macht blijven onderzoeken.
Wie de vlag draagt, is niet het enige criterium.
DEEL XVII — INDONESIË ALS POSTKOLONIALE STAAT
47. De koloniale kaart bleef bestaan
Hier ligt misschien de grootste paradox.
De Republiek Indonesië erfde grotendeels het territorium van Nederlands-Indië.
De koloniale kaart werd daarmee de basis van de postkoloniale staat.
Dit gebeurde ook in veel Afrikaanse en Aziatische staten.
De nieuwe leiders zeiden:
"Dit gebied is nu van ons."
Maar sommige bevolkingen binnen die grenzen hadden nooit één gemeenschappelijke politieke identiteit gehad.
Daarom ontstond de spanning:
Koloniale kaart
versus
lokale zelfbeschikking.
West-Papua maakt die spanning extreem zichtbaar.
48. Is Indonesië één volk?
Nee.
Indonesië is beter te begrijpen als:
één politieke natie die bestaat uit zeer veel historische gemeenschappen.
De Indonesische nationale identiteit is werkelijk.
Maar zij is niet hetzelfde als etnische homogeniteit.
Dat is een belangrijk onderscheid.
49. Het woord "Indonesisch"
Een Javaan kan zeggen:
"Ik ben Javaans én Indonesisch."
Een Molukker kan zeggen:
"Ik ben Moluks én Indonesisch."
Een Papoea kan zeggen:
"Ik ben Papoea én Indonesisch."
Maar iemand kan ook zeggen:
"Mijn Papoease identiteit staat voor mij boven de Indonesische nationale identiteit."
Of:
"Mijn Molukse identiteit is verbonden met de RMS."
De antropoloog moet zulke identiteiten onderzoeken in plaats van ze vooraf als "goed" of "fout" te bestempelen.
DEEL XVIII — DE KOLONIALE ECONOMIE
50. Van specerijen naar grondstoffen
De Nederlandse koloniale economie begon sterk met specerijen.
Daarna kwamen onder andere:
- koffie;
- suiker;
- tabak;
- thee;
- rubber;
- olie;
- andere grondstoffen.
De structuur bleef vergelijkbaar:
grond → arbeid → productie → export → winst.
Dat is het economische patroon dat kolonialisme zo krachtig maakte.
51. Wie profiteerde?
Het antwoord is niet:
alle Nederlanders.
Er waren in Nederland ook mensen die zelf arm waren.
De economische voordelen van kolonialisme waren ongelijk verdeeld.
Maar de koloniale staat was ingericht zodat Europese ondernemingen, investeerders en de Nederlandse staat aanzienlijke voordelen konden behalen.
Daarom moet je onderscheid maken tussen:
Nederlandse bevolking
en
Nederlandse koloniale macht.
Dat is historisch belangrijk.
DEEL XIX — KOLONIALE KENNIS
52. De bevolking als object van kennis
Nederlandse bestuurders wilden weten:
- welke volkeren waar woonden;
- welke taal zij spraken;
- welke religie zij hadden;
- wie hun leiders waren;
- welke groepen vijandig waren;
- welke groepen konden worden ingezet.
Dat was niet neutraal.
Kennis maakte bestuur mogelijk.
Daarom is koloniale antropologie zelf een belangrijk onderwerp.
De vraag wordt:
Wanneer verandert het bestuderen van een bevolking in het beheren van die bevolking?
Dat is een van de belangrijkste vragen die een hedendaagse cultureel-antropologische analyse kan stellen.
DEEL XX — SOEKARNO'S ANTIKOLONIALISME
53. Bandung 1955
Indonesië werd een belangrijk centrum van het mondiale antikolonialisme.
De Bandungconferentie van 1955 bracht Aziatische en Afrikaanse landen samen.
Het was een moment waarop voormalige en nog steeds gekoloniseerde volkeren probeerden een eigen mondiale politieke positie te ontwikkelen.
Soekarno zag kolonialisme niet alleen als Nederlandse overheersing.
Hij zag het als onderdeel van een groter systeem van imperialisme.
Daarom is Soekarno belangrijk buiten de Indonesische geschiedenis.
Hij hoort bij de wereldgeschiedenis van dekolonisatie.
DEEL XXI — DE WERELD NA 1945
54. Indonesië als inspiratie voor andere antikoloniale bewegingen
De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd vond plaats in dezelfde periode als dekolonisatie in:
- India;
- Vietnam;
- Ghana;
- Algerije;
- Kenia;
- Congo;
- en andere delen van Azië en Afrika.
Indonesië werd daarmee onderdeel van een wereldwijde verschuiving.
De Europese koloniale wereld brokkelde af.
Maar de voormalige koloniale machten probeerden hun economische en geopolitieke invloed vaak te behouden.
DEEL XXII — NEDERLANDSE HERINNERING
55. Waarom werd de oorlog zo lang anders genoemd?
Een interessant onderdeel van de antikoloniale analyse is het Nederlandse geheugen.
Jarenlang werd gesproken over:
"politionele acties."
Dat taalgebruik stelde Nederland voor als een staat die orde probeerde te herstellen.
Later veranderde het historische debat.
Het NIOD-onderzoek concludeerde dat de oude voorstelling dat het Nederlandse leger als geheel "correct" had gehandeld niet houdbaar is.
De Nederlandse overheid financierde daarom diepgaand onderzoek.
Dit laat zien dat geschiedenis niet statisch is.
Nieuwe bronnen kunnen oude nationale verhalen veranderen.
DEEL XXIII — DE BANDANEZEN ALS SYMBOOL
56. Waarom Banda zo belangrijk is
Banda is misschien een van de sterkste voorbeelden van hoe een klein eiland een wereldgeschiedenis kan vertellen.
De Bandanezen hadden:
- eigen gemeenschappen;
- handel;
- kennis van nootmuskaat;
- internationale contacten.
De VOC wilde hun handel monopoliseren.
De reactie was extreem geweld.
Daarna:
ontvolking → slavernij → plantage-economie → koloniale productie.
Het Nationaal Archief beschrijft expliciet dat de VOC na de vernietiging van de Bandanese samenleving het productieproces opnieuw organiseerde en duizenden tot slaaf gemaakte mensen naar Banda liet brengen.
Daarom is Banda niet slechts een voetnoot.
Het is een modelvoorbeeld van hoe koloniale macht werkt:
grondstof → monopolie → militair geweld → ontvolking → gedwongen arbeid → winst.
DEEL XXIV — DE MOLUKSE ERFENIS IN NEDERLAND
57. Kolonialisme dat naar Nederland terugkeert
Toen Molukse gezinnen in 1951 naar Nederland kwamen, kwamen zij niet als willekeurige migranten.
Hun aanwezigheid was direct verbonden met:
Nederlands kolonialisme.
Het Nationaal Archief beschrijft dat circa 12.500 Molukkers in 1951 naar Nederland kwamen en dat hun verblijf oorspronkelijk als tijdelijk werd beschouwd.
Daarom is de Molukse gemeenschap een levende postkoloniale erfenis.
De koloniale geschiedenis leeft niet alleen in Indonesië.
Ze leeft ook in:
- Nederlandse Molukse wijken;
- familieverhalen;
- herdenkingen;
- muziek;
- religie;
- politieke identiteit;
- en intergenerationeel geheugen.
DEEL XXV — PAPOEA EN DE LIMIET VAN HET NATIONALE VERHAAL
58. De vraag die Indonesië liever niet eenvoudig kan beantwoorden
De Indonesische nationale geschiedenis zegt:
1945 = bevrijding van kolonialisme.
West-Papoease nationalisten stellen vervolgens een moeilijke vraag:
"Wanneer werd onze eigen politieke stem onderdeel van die bevrijding?"
Daarom is Papua zo belangrijk.
Het laat zien dat:
dekolonisatie en nationale staatsvorming niet altijd hetzelfde zijn.
Een koloniale staat kan verdwijnen.
Een nieuwe staat kan ontstaan.
Maar lokale zelfbeschikking kan nog steeds onderwerp van conflict zijn.
DEEL XXVI — DE JOY ENAIT-BRIL
59. Wat maakt deze benadering antikoloniaal?
In het door jou bedoelde perspectief rond Joy Enait gaat het niet alleen om het aanwijzen van een koloniale schuldige.
Het gaat om het blootleggen van machtsstructuren.
Daarbij horen minimaal acht vragen:
1. Wie had macht?
Nederland.
De VOC.
Lokale vorsten.
Indonesische nationalisten.
Jakarta.
Het leger.
Lokale elites.
2. Wie had geen macht?
Boeren.
Tot slaaf gemaakten.
Koloniale onderdanen.
Veel vrouwen.
Perifere volkeren.
Papoease gemeenschappen.
3. Wie bepaalde kennis?
Koloniale bestuurders.
Wetenschappers.
Missionarissen.
Kaartmakers.
Later nationale instellingen.
4. Wie bepaalde grenzen?
Eerst Europese koloniale machten.
Later de Indonesische staat.
5. Wie bepaalde identiteit?
Koloniale classificaties.
Nationale identiteit.
Lokale etnische identiteit.
Religieuze identiteit.
6. Wie profiteerde economisch?
Koloniale ondernemingen en de koloniale staat.
Later nationale elites en bedrijven.
7. Wie droeg de kosten?
Lokale bevolkingen.
Boeren.
Arbeiders.
Gemeenschappen wier land werd gebruikt.
8. Wie wordt vandaag nog niet gehoord?
Dat is vooral relevant voor sommige Papoease en regionale perspectieven.
60. De belangrijkste correctie op een simplistisch antikoloniaal verhaal
Een echt sterke antikoloniale analyse zegt niet:
Nederland slecht — Indonesië goed.
Dat is te simpel.
Ze zegt:
Nederlandse koloniale overheersing was een systeem van politieke, economische en raciale macht.
Maar vervolgens:
de Indonesische Republiek werd een eigen staat met eigen machtsstructuren.
Daarom moet die staat óók kritisch onderzocht worden.
Dat betekent niet dat Indonesië en Nederland historisch gelijk zijn.
Ze waren dat niet.
Nederland was de Europese koloniale macht.
Indonesische nationalisten vochten voor onafhankelijkheid.
Maar na de onafhankelijkheid ontstonden nieuwe vragen over regionale autonomie, militaire macht en zelfbeschikking.
61. De kern van West-Papua
West-Papua maakt deze nuance onvermijdelijk.
De vraag is niet alleen:
"Was Nederland koloniaal?"
Dat antwoord is ja.
De vraag is ook:
"Had de Papoeabevolking recht op eigen politieke zelfbeschikking?"
Dat is de vraag die de geschiedenis complex maakt.
Een antikoloniale benadering moet die vraag serieus nemen, juist omdat het eigen uitgangspunt zelfbeschikking is.
62. Indonesië als mozaïek
Uiteindelijk moet Indonesië niet worden voorgesteld als één blok.
Het is een mozaïek.
Sumatra
Atjehers, Minangkabau, Batak, Maleise gemeenschappen en vele anderen.
Java
Javanen, Sundanezen, Madurezen en vele regionale groepen.
Kalimantan
Dayak-volkeren, Banjar, Maleise gemeenschappen en anderen.
Sulawesi
Buginezen, Makassaren, Toraja, Minahasa, Gorontalo en anderen.
Bali
Balinezen met een eigen hindoeïstische cultuur.
Nusa Tenggara
Sasak, Sumbanezen, Floresse volkeren, Timorezen en anderen.
Molukken
Ambonezen, Bandanezen, Ternatezen, Tidorezen, Kei, Aru, Seram en vele anderen.
Papua
Honderden Papoease volkeren met eigen talen en lokale geschiedenissen.
Dat is Indonesië.
Niet één cultuur.
Maar een politieke gemeenschap van vele historische werelden.
63. De grootste historische paradox
De Nederlandse koloniale staat hielp onbedoeld de territoriale eenheid creëren waarbinnen later de Indonesische natie werd gevormd.
Maar diezelfde koloniale kaart bevatte volkeren die zichzelf niet noodzakelijk als onderdeel van één nationale identiteit zagen.
Daarom ontstond:
koloniale territoriale eenheid → antikoloniale nationale eenheid → postkoloniale interne spanningen.
Dat is misschien de belangrijkste structurele paradox van Indonesië.
64. De erfenis van Soekarno en Hatta
Soekarno en Hatta slaagden erin een enorme archipel politiek te verenigen.
Dat is historisch indrukwekkend.
Maar nationale eenheid heeft een prijs wanneer regionale verschillen onvoldoende ruimte krijgen.
De Indonesische geschiedenis na 1949 moet daarom worden gelezen als een voortdurende onderhandeling tussen:
eenheid en diversiteit.
centrum en periferie.
natie en volk.
staat en gemeenschap.
soevereiniteit en zelfbeschikking.
65. Wat betekent dekolonisatie werkelijk?
Dekolonisatie is niet alleen:
Nederland vertrekt.
Het is ook:
wie krijgt het land?
wie krijgt politieke macht?
wie krijgt economische controle?
wie mag zijn geschiedenis vertellen?
wie bepaalt de grenzen?
wie bepaalt onderwijs?
wie bepaalt welke taal belangrijk is?
wie bepaalt welke cultuur nationaal wordt genoemd?
En vooral:
wie mag zichzelf vertegenwoordigen?
CONCLUSIE
66. Indonesië begrijpen via de mensen, niet alleen via de staat
Een analyse in het door jou bedoelde antikoloniale kader rond Joy Enait komt uiteindelijk uit bij één fundamentele gedachte:
Indonesië is groter dan de Indonesische staat.
De geschiedenis van Indonesië bestaat uit duizenden lokale geschiedenissen.
De geschiedenis van een Atjeher is niet hetzelfde als die van een Balinees.
De geschiedenis van een Bandanees is niet hetzelfde als die van een Javaan.
De geschiedenis van een Molukker is niet hetzelfde als die van een Papoea.
En toch werden al deze werelden uiteindelijk binnen één moderne staat gebracht.
Dat proces is gevormd door:
oude Aziatische handelsnetwerken, lokale rijken, islamisering, hindoeïsme, christendom, Europese expansie, VOC-kapitalisme, slavernij, koloniale oorlogen, Nederlandse bureaucratie, raciale classificatie, het Cultuurstelsel, Indonesisch nationalisme, de Japanse bezetting, Soekarno, Hatta, de revolutie van 1945–1949, de Molukse kwestie, West-Papua en de Indonesische staatsvorming.
67. De ultieme antikoloniale les
De geschiedenis van Indonesië leert ons dat kolonialisme niet alleen betekent:
"een buitenlander bestuurt een land."
Kolonialisme betekent een machtsstructuur waarin één groep het recht opeist om over andere mensen, hun land, arbeid, grondstoffen en politieke toekomst te beschikken.
De VOC liet dit op Banda extreem zien: een handelsmonopolie werd afgedwongen met militair geweld en gevolgd door ontvolking en een plantage-economie met tot slaaf gemaakte arbeid.
Nederland zette dat bredere koloniale systeem eeuwenlang voort en probeerde na 1945 zelfs met militair geweld de uitkomst van de Indonesische dekolonisatie te beïnvloeden. Het grote Nederlandse onderzoeksprogramma over 1945–1950 concludeerde dat extreem geweld door Nederlandse strijdkrachten structureel werd gebruikt en breed werd getolereerd.
Maar een consequent antikoloniale analyse stopt daar niet.
Zij kijkt daarna naar de nieuwe staat.
Naar Jakarta.
Naar de Molukken.
Naar Aceh.
Naar regionale identiteiten.
En vooral naar West-Papua.
Want zodra Indonesië zelf een machtige staat wordt, ontstaat opnieuw de vraag:
Hoe verhoudt nationale eenheid zich tot het recht van afzonderlijke volkeren om hun eigen toekomst te bepalen?
Dat is geen argument om Nederlandse koloniale overheersing te relativeren.
Integendeel.
Het maakt het antikoloniale principe consequenter.
Want als zelfbeschikking belangrijk is, moet zelfbeschikking niet alleen gelden wanneer de onderdrukker Europees is.
68. Slot — van Banda tot Papua
Van de nootmuskaatbomen van Banda tot de rijstvelden van Java.
Van de moskeeën van Aceh tot de hindoeïstische tempels van Bali.
Van de zeevarende Buginezen tot de berggemeenschappen van Papua.
Van Ternate en Tidore tot Ambon.
Van Soekarno en Hatta tot de Molukse KNIL-families.
Van de Japanse bezetting tot de onafhankelijkheidsverklaring van 1945.
Van de Nederlandse oorlog tot de soevereiniteitsoverdracht van 1949.
Van de RMS tot West-Papua.
De geschiedenis van Indonesië is uiteindelijk geen simpel verhaal van één land tegen één ander land.
Het is een geschiedenis van volkeren, macht, handel, religie, geweld, identiteit, kolonialisme, nationalisme en zelfbeschikking.
En juist daarom moet Indonesië niet alleen worden bestudeerd vanuit Den Haag of Jakarta.
Je moet luisteren naar Banda.
Naar Aceh.
Naar Minangkabau.
Naar Batak.
Naar Java.
Naar Sunda.
Naar Dayak.
Naar Bugis.
Naar Makassar.
Naar Bali.
Naar Ambon.
Naar Ternate.
Naar Tidore.
Naar Papua.
Want daar begint een werkelijk antikoloniale geschiedenis:
niet bij de vraag wie de kaart tekende, maar bij de mensen die op die kaart leefden.
En dat is de diepste cultureel-antropologische les die uit deze Indonesische geschiedenis kan worden gehaald in het perspectief Joy Enait
Een geschiedenis is pas werkelijk gede-koloniseerd wanneer niet alleen de macht van de kolonisator wordt onderzocht, maar ook de stemmen van de mensen die door die macht, en later door nieuwe machtscentra, werden gevormd, verplaatst, verdeeld, gemarginaliseerd of tot zwijgen gebracht.